Je weet wat de petrochemische industrie inhoud en dat aardolie een belangrijke rol speelt als mengsel van verschillende stoffen.

De petrochemische industrie is gebaseerd op aardolie, het zet aardolie om in grondstoffen voor de productie van andere producten.

Aardolie, aardgas en benzine zijn fossiele brandstoffen. Deze zijn nodig voor energie voorzieningen, uit deze fossiele brandstoffen kun je energie halen.

Aardolie wordt ook wel zwart goud genoemd, dit wordt zo genoemd omdat het een veelzijdige stof is en je er heel welvarend van kan worden. Het is een mengsel van meer dan 100.000 verschillende stoffen. De samenstelling verschilt voor elke soort aardolie en is afhankelijk van het gebied waar het gewonnen word. Om goed gebruik te kunnen maken van aardolie  als grondstof wordt in een olieraffinaderij  het mengsels van een kleiner aantal stoffen gebruikt, die mengsels heten aardoliefracties.

Voor aardoliefractie’s zijn er 5 stappen:

1. De aardolie ga je destilleren, bij een bepaald temperatuur verdampt er benzine

2. als alle benzine eruit is dan gaat de tempratuur weer omhoog en dan verdampt kerosine 3.als alle kerosine eruit is dan gaat de tempratuur weer omhoog,

4. vervolgens wordt dat diesel.

5. Als dat nog hoger en dat wordt dan smeerolie,

6. het allerhoogste temperatuur wordt asfalt.

De volgorde is dus:

1.benzine 2.kerosine 3. Diesel 4. Smeerolie. 5. Stookolie(asfalt).

Dit proces heet gefractioneerde destillatie.

Behalve een bron voor allerlei brandstoffen is aardolie ook een grondstof voor het maken van onder andere, plastic en wasmiddelen enz.

 Ik weet wat een stof is en kan stofeigenschappen herkennen en ik weet wat de dichtheid van een stof is en kan hiermee rekenen.

Een stof is wat een massa heeft. Alles om je heen bestaat uit stoffen. Denk maar eens aan lucht, lucht bestaat voor het grootste deel uit de stoffen en stikstof. Een stof heeft ook eigenschappen, een stofeigenschap is een eigenschap die bij een stof hoort. Een paar eigenschappen zijn:

–       Kleur

–       Smaak

–       Geur

–       Oplosbaarheid

–       Brandbaarheid

–       Kookpunt

–       Verbrandingstemperatuur

–       Zuivere stof/ onzuivere stof

–       Dichtheid.

Alle stoffen verschillen in 1 of meer eigenschappen.

De dichtheid is de massa van 1 m3 van een stof.

De dichtheid van een stof bereken je door het gewicht te delen door de volume.

Dus:                massa

Dichtheid : _________    (massa : volume)

Volume

De volume bereken je door lengte x breedte. Zo bereken je de dichtheid.

Dus: lengte x breedte = volume    gewicht:volume= dichtheid van stof

Bijv.  de massa is 5 g, en het volume is 45 cm. Bereken de dichtheid van deze stof.

5 : 45 = 9.

De dichtheid is 9 g/cm3.

Je kan ook hebben: 5 kg en 45 m  9kg/m3.

Als je de volume van een onbekende vorm hebt doe je:

1.         Bijv. 50 ml in een bakje met water.

2.         Doe het asymmetrische voorwerp in het water

3.         Hoeveel is het water gestegen?

4.         Bijv. Nu staat hij op 56, dat betekent dat de volume 6 ml is, en 6 ml = 6 cm.

1 l = 1000 ml.  1000ml = 1000cm3                 1 ml = 1 cm3

Het verschil tussen een zuivere stof, een mengsel en een verbinding.

Een zuivere stof bestaat uit 1 soort molecuul. Ook kan je een zuivere stof herkennen aan een stolpunt. Het vloeistof koelt af en gaat dan stollen, het blijft  bijvoorbeeld 70 cc totdat alles gestold is, dan gaat de temperatuur weer zakken.

Een verbinding is een kleurloze vloeistof en bestaat uit verschillende atoomsoorten, en het bestaat uit 1 molecuul.

Een mengsel bestaat uit verschillende molecuul soorten. Het is een altijd heldere oplossing. (helder zegt niks over kleur, maar waar je doorheen kan kijken denk maar aan cola)  Een mengsel kan zowel een verzadigde oplossing als een onverzadigde oplossing zijn. Verzadigde oplossing is dat je het niet meer op kan lossen, dus dat het anders gaat klonteren enz.  en een onverzadigde oplossing is dat je er nog steeds iets bij kan doen en het dan nog steeds oplost.

 Mengsels

Je hebt 3 soorten mengsels:

–       oplossing
Is altijd helder. Je hebt 2 soorten:
1. Onverzadigde oplossing
Kan je er altijd nog wat bij doen, lost nog steeds op. Op een gegeven moment is het een verzadigde oplossing.
2. Verzadigde oplossing
kan je niet meer oplossen, er kan niks meer bij.

–       suspensie.
Fijn verdeelde vaste stof in een vloeistof.
(troebel). Het wordt niet helder. Denk aan meel + water.

–       emulsie.
Fijn verdeelde vloeistof in een andere vloeistof. Meestal met behulp van emulgator.  Met emulgator kan je 2 verschillende vloeistoffen toch mengen.

8.Ik weet dat de meeste stoffen uit moleculen bestaan en dat deze per stof verschillend zijn.

Bestaat uit:

H- waterstof moleculen

O- zuurstof moleculen 2x

En bijvoorbeeld glucose:

C6H12O6

Bestaat uit

C- Koolstof atoom 6x

H- waterstof atoom 12x

O- Zuurstof atoom 6x

Je ziet dat water en glucose allebei twee hele andere stoffen zijn die uit verschillende moleculen met verschillende atomen zijn opgebouwd.

Bij stoffen zijn er 3 verschillende soorten fase’s, vast- vloeibaar en gas. Een stofeigenschap kan veranderen doormiddel van de temperatuur. Denk maar aan water.

–        Bij een vaste stof zitten de moleculen heel dicht op elkaar.

–       Bij een vloeibare stof zitten de moleculen niet meer dicht op elkaar. dus kunnen de moleculen bewegen, denk maar aan water. Water kan je makkelijk heel gemakkelijk scheiden.

–       Bij een gas, zweven de moleculen als het ware door de stof.

Je kunt uitleggen dat een molecuul bestaat uit 2 of meerdere atomen en deze herkennen in een model.

Een molecuul bestaat uit meerdere atomen. Als je minder dan twee atomen hebt, dan heb je dus 1 atoom en geen molecuul. Dus om van een atoom een molecuul te maken moet je minstens meer dan 1 atomen bij elkaar doen. Atomen zijn bouwstenen voor moleculen. Als een molecuul bestaat uit verschillende atomen, noem je dat een verbinding. Als een molecuul bestaat uit dezelfde atomen, is dat een zuivere stof. Bijvoorbeeld water.

1 Zuurstof atoom + 2 Waterstof atomen = Water

Zuivere stof + zuivere stof= verbinding (De zuivere stoffen zijn niet dezelfde stoffen)

  1. Ik kan het aantal proten en elektronen in een atoom benoemen.
    11. Ik kan het atoommodel van Rutherford beschrijven
    Het atoommodel van Rutherford is de indeling van een atoom bedacht/uitgevonden door Ernest Rutherford. Hij heeft ontdekt dat een atoom bestaat uit elektronen, protonen en neutronen.
    Elektronen zijn negatief geladen
    Protonen zijn positief + geladen
    Neutronen zijn neutraal

    De kern van een atoom bestaat uit protonen en neutronen. De elektronen “zweven”als het ware om de kern heen in banen. De elektronen worden aangetrokken door de protonen en het werkt als een soort van zwaartekracht systeem.  Bij elke atoomsoort verschilt de verhouding van elektronen, protonen en neutronen.  In binnenste baan kunnen er maximaal twee atomen zweven. Op de andere banen passen er steeds acht atomen.

atoom-01

Het periodiek systeem

Het periodiek systeem is een stelsel dat bestaat uit gerangschikte atomen.

Alle atomen uit het periodiek systeem zijn metalen en niet metalen,

De atomen zijn ingedeeld in periodes en groepen. De atomen zijn horizontaal gezien periodes. Verticaal gezien zijn de groepen. Het verschil tussen periodes is dat de atomen steeds 1 proton meer heeft. De groepen hebben dezelfde chemische eigenschappen.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s