-Vertaal de werkwoordsvormen voor jezelf. Dat maakt de regels vanzelfsprekend.
-Lees de onregelmatige woordenlijst door.
-Let goed op om welke tijd er gevraagd wordt, let op data en andere tijdsaanduiding.
bijv. Als je moet kiezen tussen present perfect of past simple en er staat ‘1889’ in de zin heb je te maken met verleden tijd!
Present perfect –> tegenwoordige tijd.
Kenmerk: have/has + werkwoord -ed
Past simple–> verleden tijd.
Kenmerk: eindigt meestal op -ed
Present continuous –> verleden tijd, nog steeds bezig.
Kenmerk: am/is/are+ werkwoord+ ing.
I –> am
He/she/it –>is
You/we/they –>are
Past continuous –> verleden tijd, niet meer bezig.
Kenmerk: was/were + werkwoond + ing
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s