Uitleggen wat de functie is van voedingsstoffen en voedingsvezels in voedingsmiddelen.
Voedingsstoffen indelen in 6 groepen met hun functies en kenmerken.

6 voedingsstoffen met kenmerken en functies
Eiwitten (Vlees,noten en vis)
Eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen van het lichaam. Eiwitten worden gebruikt bij productie van nieuwe cellen. Het kan niet in het lichaam opgeslagen worden maar wordt gelijk gebruikt of komt als afvalstof uit het lichaam. Dus eiwitten kunnen niet als reservestoffen dienen.

Koolhydraten (Suiker, graan, rijst)
Koolhydraten kunnen als bouwstoffen, reservestoffen en brandstoffen gebruikt worden. Het wordt vooral als brandstof gebruikt en zorgt voor energie.  Als je genoeg koolhydraten hebt en toch nog meer koolhydraten binnen krijgt, worden deze opgeslagen als vet (reservestoffen) Koolhydraten is een makkelijke brandstof voor sporters.

Vetten (Boter, snacks, fastfood)
Vetten kunnen als brandstof, bouwstof en reservestof gebruikt worden. Als je koolhydraten binnenkrijgt, heb je geen vetten nodig. Vetten worden gauw als reservestof opgeslagen en vaak is dat onder de huid. Stel dat je te weinig energierijk voedsel binnenkrijgt, dan kun je het opgeslagen vet als brandstof gebruiken.
 
Water(vocht)
Water is een belangrijke bouwstof in het lichaam. Het menselijk lichaam bestaat voor ongeveer 60% uit water. Het speelt een belangrijke rol  bij het vervoeren van stoffen in het lichaam. Water is essentieel bij dagelijkse voeding van de mens. Ook bloed bestaat voor een groot deel uit water.

Mineralen(Zouten, calcium, zuivel)
Mineralen zijn bouwstoffen en worden ook wel zouten genoemd. Ze spelen een rol bij de opbouw van beenderen, dan heb je kalk nodig. Kalkzouten zorgen voor de stevigheid van beenweefsel.

Vitamines(Groente en fruit)
Vitamines kunnen zowel beschermende als bouwstoffen dienen. Bij een tekort aan vitamines, kan je weerstand omlaag gaan. Bij een overdosis aan vitamines kun je ook ziek worden, dus moet je een normale dosis binnenkrijgen. Vitamines worden aangegeven met een letter. De belangrijkste vier zijn A,B,C en D.

Vezels

Voedingsvezels nemen water op en zorgen voor een goede structuur van de ontlasting.

De onverteerbare vezels komen er net zo uit als dat ze in het lichaam zijn gekomen. Voedingsvezels kunnen niet door het lichaam afgebroken worden. De vezels komen onverteerd in de darm aan en daar dienen ze als voedingsbron voor de darmflora.
Omschrijven wat vertering is en hierbij de functie aangeven van verteringssappen en enzymen.

Bij vertering van voedsel worden de voedingsstoffen uit het voedsel gehaald en opgenomen in het lichaam. Om deze voedingsstoffen uit het voedsel te halen, wordt het voedsel eerst geëmulgeerd en verkleint zodat de voedingsstoffen vrijkomen. Tijdens dit proces komt het voedsel langs verschillende spijsverteringsorganen, ook wel het spijsverteringsstelsel genoemd.

Het emulgeren en verkleinen van het voedsel wordt gedaan met behulp van verteringssappen en enzymen. Hoe moeilijker een voedingsstof te verteren is, des te eerder het lichaam begint met verteren. De overblijfselen, voedsel dat onverteerbaar is en afval stoffen komen als ontlasting uit het lichaam.  De enzymen en verteringssappen zorgen ervoor dat atomen los gemaakt worden van een atoom. Zo is het makkelijker om een voedingsstof op te nemen.

 

Uitleggen wat darmperistaltiek is en wat de functie hiervan is.

Darmperistaltiek zorgt ervoor dat de inhoud van de darmen voortgestuwd word richting de endeldarm. Bij darmperistaltiek gaan de lengte en de kringspieren afwisselend samentrekken. Zo wordt de inhoud van de darm goed gekneed en vermengd met de verteringssappen. Als iemand diarree heeft, is de darmperistaltiek te sterk. De inhoud van de darm wordt te snel voortgestuwd en de darmen krijgen geen kans om de voedingsstoffen op te nemen. In de darmen wordt voedingsstof rijke water opgenomen, bij diarree kan dat dus niet omdat het te snel door de darmen gaat. Daarom is de ontlasting aan de vloeibare kant als iemand diarree heeft.
1.Samengetrokken spier

2.Richting van het voedsel

3.Ontspannen spier

4.Voedselprop

De delen van het verteringsstelsel noemen met daarbij de functies en kenmerken, in het bijzonder van de dunne darm.

spijsverteringsstelsel

Speekselklieren

De speekselklieren zijn onder invloed van het brein

3 speekselklieren:

  • Glandula parotis
  • Submandibularis
  • Sublingualis

Speeksel bestaat uit enzymen

Taak van speeksel: ontleding van het voedsel door enzymen tot substraten.

Taak van enzymen: maken atomen los van molecuul

De mens produceert ongeveer 1 tot 1 ½ liter speeksel per dag. Dit wordt vooral gebruikt voor zetmeel afbraak.

Ase=enzym

Amyl=zetmeel

Taken van bestanddelen van speeksel

  • Water> verdunning
  • Slijm> vergemakkelijkt het slikken
  • Speeksel amylase>spijsverteringsenzym

Speeksel

  • Reiniging gebit
  • Tandsteen
  • Speeksel aanmaak staat onder invloed van het vegetatieve zenuwstelsel (onwillekeurige zenuwen

Mondholte

  • De mond:

    Mechanische afbraak van het voedsel > kauwen

    Tong

  • Huig
  • 8 snijtanden
  • 4 hoektanden
  • 8 grote kiezen
  • 8 kleine kiezen
  • 4 verstandskiezen

Kiezen hebben de taak om de celmembraan of wand van de plantencellen te breken.

Maag (ventriculus)

  • Veel plooien>oppervlakte vergroting
  • Slijm> beschermende laag over de maagwand. Beschermt maagwand tegen inwerking maagzuur.
  • Water> oplosmiddel en stroom medium
  • Zoutzuur HCI > doodt schadelijke bacteriën, zorgt voor een zuur milieu pH 1 a 2 breekt ook eiwitten af
  • Pepsinogeen, een enzym dat in samenwerking met maagzuur eiwitten splitst
  • Lipase, een enzym dat uit het bovenste gedeelte van maag dat een beperkte start maakt met de vertering van vetten.

12 vingerige darm (duodenum)

Functies:

  1. Regelen van de frequentie van het legen van de maag
  2. Neutraliseren van de pH zuurgehalte door middel van toevoeging pancreassap

Natriumbicarbinaat (NaHCO3)

  1. Vertering

Opname van voedingsstoffen en toevoeging pancreassap

4.   Regelen van de frequentie van het legen van de maag

Neutraliseren van de pH door middel van toevoeging van pancreassap

Natriumbicarbinaat (NaHCO3)

 

Vertering

Toevoeging pancreassap> Trypsine (eiwitten) en amylase (koolhydraten)

Toevoeging van gal> emulgeert vetten

Dus van vetbol naar kleine vetbolletjes

Pancreassap neutraliseert de pH van de brij dat uit de maag komt.

Dunne darm bestaat uit 2 delen (Zie doel 6 voor extra uitleg waarom het bijzonder is!)

Nuchtere darm (jejunum)

  • 2 meter lang
  • Voedsel gaat er snel doorheen, neemt nauwelijks voedingsstoffen op

Kronkeldarm (ileum)

  • 3 meter lang
  • Neemt vetzuren en cholesterol op
  • Darmsap wordt toegevoegd.
  • Opname van vit. B12 >zit veel in vlees en nootjes
  • Gebrek aan vit B12 kan ervoor zorgen dat men een beetje depressief word

Blinde darm (apendix)

  • Geen functie, bij verstopping raakt de blinde darm vol met ontlasting en gaat het ontsteken. Dan heb je een blinde darm ontsteking en wordt deze operatief verwijderd.

Dikke darm (colon en rectum)

Ontlasting hoopt zich op in de bochten van de dikke darm

  • 1,5 meter
  • Opname van water en zouten
  • Afbraak van laatste voedingsstoffen dmv darmflora(goede bacteriën)
  • Bij diarree is de darmperistaltiek te sterk en gaat de voedselbrij zo snel door de dikke darm dat het geen kans krijgt om voedingsstoffen op te nemen. De voedingsstoffen zijn opgelost in water en als deze niet worden opgenomen heb je een vloeibare ontlasting.

Lever(Hepar)

  • Galproductie: Bilirubine wordt afgevoerd en vetten gemulgeerd. Bilirubine zorgt voor de kleur van de ontlasting en bestaat uit afvalstoffen> dode rode bloedcellen.
  • Slaat glycogeen, vetten, vitamines en mineralen op.
  • Lever kan veel stoffen die schadelijk zijn voor het lichaam uitschakelen.
  • Reguleert de lichaamstemperatuur

Alvleesklier (Pancreas)

  • Belangrijkste taak: Houdt insulinegehalte op peil
  • Vertering van eiwitten,zetmeel en vetten

 Uitleggen hoe de verschillende voedingsstoffen worden opgenomen vanuit de darm.

In de darmkanaal worden veel verteringssappen toegevoegd aan de voedselbrij. Deze verteringssappen bevatten veel water. Hierdoor gaan de voedingsstoffen in het water zitten. In de dunne en dikke darm wordt water opgenomen. En in het water zijn voedingsstoffen opgelost, dus dan worden de voedingsstoffen ook opgenomen.

De wand van de dunne darm bevat veel plooien. De buitenste laag van de wand bestaat uit hele kleine uitstulpingen, denk aan de structuur van de tong! Deze uitstulpingen zijn darmvlokken.

De wand van de darmvlokken is heel dun en de darmvlokken bestaan uit bloedvaten. Zo kan het water met voedingsstoffen makkelijk door de darmvlokwand heen en opgenomen worden in het bloed. Het bloed vervoert de opgenomen stoffen via de poortader naar de lever en vanaf daar gaat het naar de lichaamscellen.

Door de plooien en de darmvlok heeft de dunne darm een heel groot oppervlak, zo kan de opname van stoffen sneller gaan.

Verteringssappen noemen met hun functies
Speeksel

Bevat een enzym dat een begin maakt met zetmeel vertering. Maakt het slikken makkelijker.

Maagzuur

Het zoutzuur van het maagsap zorgt ervoor dat de eiwitten verkleind worden dmv emulsie.

Gal

  • Gal maakt een grote vetbol tot hele kleine vetballetjes zodat de enzymen er beter bij kunnen. Dit heet emulsie.

Pancreassap

Word gemaakt in de lever en bewaard in de galblaas. Verteerd vetten, zorgt ervoor dat het vet afgebroken wordt tot glycerol en vetzuren.

  • Maakt eiwitten nog kleiner
  • Gaat verder met verteren van zetmeel. Nu heb je twee glucosemoleculen aan elkaar, dat noem je maltose.

Darmsap

  • Bevat enzymen die eiwitten afbreken tot aminozuren. Deze kunnen door de darmwand heen, passeren de darmvlokken en naar de poortader. Als ze in het bloed terecht zijn gekomen, gaan ze naar de lever. In de lever gaan de overgebleven aminozuren met ureum via het bloed naar de nieren en worden met de urine uitgescheiden. Veel van de eiwitten die opgenomen worden gaan naar de lever en daarvan worden nieuwe eiwitten geproduceerd. In onze cellen worden eiwitten gebruikt als bouwstoffen en de enzymen die bijvoorbeeld het voedsel verteren, bestaan zelf ook uit eiwitten. Eiwitten zijn dus erg belangrijk!
  • Overgebleven zetmeel wordt afgebroken tot glucose, dit gaat via de darmvlokken en de poortader naar de lever. In de lever wordt de glucose weer aan elkaar gebonden als glycogeen en opgeslagen als een reservestof, een andere vorm van zetmeel. Wanneer de cellen glucose nodig hebben bij verbranding, wordt het glycogeen tot glucose omgezet en gaat het via het bloed naar de spieren en cellen.

Uitleggen wat de functie is van enzymen en door welke factoren de werking van enzymen wordt beïnvloed. Ik weet wat optimumkromme is.

  • Een enzym is een soort eiwit dat de functie heeft van een katalysator. Dat kan een reactie versnellen
  • Enzymen kunnen het beste functioneren onder bepaalde omstandigheden. De omgeving moet zuur zijn en het enzym moet zich op een ideale temperatuur bevinden, lichaamstemperatuur (37 graden Celcius)
  • Voor elk enzym is er een pH waarbij dat enzym het beste werkt. Dat wordt de optimum pH genoemd.

Optimumkromme

Is een verband tussen de omgevingstemperatuur waarin het enzym zich bevindt, en de activiteitsgehalte van de enzym. Er zijn drie soorten situaties waarin het enzym zich kan bevinden.

Minimum, optimum en maximum. Optimumkromme is de ideale temperatuur voor een enzym, minimum is te koud en maximum is te warm.

De enzym gaat tussen de voedingsstoffen zitten, neemt ze op en gaat weer weg om de voedingsstoffen te vervoeren naar de bloedvaten. De resterende dingen die niet zijn opgenomen, komen als ontlasting uit het lichaam.
Bij carnivoren, omnivoren en herbivoren het verband aangeven tussen de
voedselkeuze, de lengte van het darmkanaal en de kenmerken van het gebit.

  • Planteneters (Herbivoren)Hebben vaak een lang darmkanaal in verhouding tot hun lichaamslengte. Het darmkanaal van bijv. een koe is 40m, dat is 25x langer dan zijn eigen lichaam. Daarom is het buik van een koe dik en klopt de verhouding tot de lengte van een koe niet. Planteneters hebben meestal geen hoektanden maar plooikiezen. Plooikiezen hebben veel glazuur en komen bij het bijten precies op elkaar zodat de plantcellen goed geplet kunnen worden. Zo kan de celwand van een cel makkelijker breken om bij de bladgroenkorrels te komen. Planteneters eten  alleen planten.
  • Vleeseters(Carnivoren)Hebben een hele korte darmkanaal, daarom is hun lichaam slank en goed gevormd. Denk aan wolven,leeuwen, honden etc. Om het rauwe vlees goed in stukjes te kunnen kauwen hebben ze scherpe knipkiezen. Deze zijn zo scherp dat het voedsel in stukjes word geknipt zodat het snel doorgeslikt kan worden, als het vlees al in kleine stukjes in de maag terecht komt, is het verteren ook makkelijker. De bovenkaak is breder dan de onderkaak zodat de kiezen langs elkaar kunnen glijden als bij een schaar ook gebeurt. Carnivoren kunnen hun gebit ook als wapen gebruiken, ter verdediging maar ook om het vlees van het dierenlichaam te scheuren.
  • Alleseters(Omnivoren) Bij alleseters komt de lengte van het darmkanaal in verhouding tot de lichaamslengte goed bij elkaar. Het is niet te kort en ook niet te lang. Alleseters hebben knobbelkiezen. Alleseters hebben ook hoektanden om het prooi te doden.  De hoektanden zijn meestal even groot als de snijtanden. Een alleseter eet alles, planten en vlees. De mens is ook een alleseter, maar de mens snijdt, en bakt het voedsel voor het eten.
  • Detrivoren Voeden zich met dood organisch materiaal. Worden ook wel reducenten genoemd. Bijv. Regen wormen, zwammen en bacteriën.

 

 

 Uitzoeken hoe voedingsstoffen en zuurstof en worden getransporteerd bij vissen, amfibieën of insecten.

Bij vissen wordt de zuurstof dat het water bevat opgenomen via de kieuwen. Zo komt het in de bloedbaan terecht en wordt het naar de organen en cellen getransporteerd. Amfibieën krijgen zuurstof door de huid heen. Daarom kunnen amfibieën geheel onder modder of water blijven zonder last van zuurstofgebrek te krijgen. De huidcellen zijn verbonden met haarvaten en zo komt het zuurstof in de bloedbaan terecht. Insecten ademen op een heel andere manier, door hun achterlijf. Daar zitten heel veel microscopische poriën, deze vormen het begin van een heel buisjesnetwerk. Via de poriën wordt er zowel in- als uit geademd.
11. Een relatie leggen tussen zuurstof opname, glucose opname en het transport hiervan en de concentratieverschillen in het bloedvatenstelsel.

Glucose wordt in het lichaam gebruikt als brandstof. Meestal heeft men een opgeslagen voorraad glucose als glycogeen opgeslagen. Glucose en zuurstof zijn van uiterst belang bij verbranding. In de cellen wordt glucose afgebroken met zuurstof en als afvalstof ontstaat er koolstofdioxide en water. Deze verlaten het lichaam via het bloed, en ook door zweet.

Om energie te krijgen moet het lichaam eerst verbranden. Net als wanneer je een kampvuur wilt.

Glycogeen wordt in de lever opgeslagen en zuurstof kan niet opgeslagen worden maar is voortdurend heel erg belangrijk. Bij een tekort aan glucose wordt er minder verbrandt en voelt men zich ook moe omdat je dan minder energie hebt.

Voor verbranding is er glucose nodig en wordt er altijd gebruik gemaakt van glucose dat al opgeslagen is. Als er glucose nodig is, wordt het glycogeen omgezet naar glucose.

 

Practicum Speeksel

Inleiding

In elk verteringsorgaan wordt er een voedingsstof afgebroken. Dat gebeurt met behulp van verteringssappen. Speeksel is een verteringssap dat geproduceerd wordt door de speekselklieren in de mond.

Onderzoeksvraag

“Wat voor invloed heeft zuur op de werking van speeksel”?

Hypothese

Ik denk dat zuur wel degelijk invloed heeft op de werking van speeksel omdat elk zuurgehalte tot een

ander reactie kan leiden bij een voedingsstof. Ik verwacht geen heftige reactie

 

Materiaal en methode

Benodigd materiaal

  • 25 mL zetmeel-oplossing
  • 10 mL water
  • 2  mL zoutzuur
  • 2 mL natriumloog
  • 5 cm van een reageerbuisje aan speeksel
  • Joodoplossing
  • 7 reageerbuizen
  • Warmwaterbad
  • pH meetpapier
  • een pipet

Methode

Zorg ervoor dat het warmwaterbad aanstaat op 37 graden Celsius

  1. Nummer de reageerbuisjes van 1 t/m 7.
  2. Vul de reageerbuizen aan de hand van onderstaande tabel
  3. Verdun de speeksel in buis 7 door er  5 cm water aan toe te voegen
  Buis 1 Buis 2 Buis 3 Buis 4 Buis 5 Buis 6 Buis 7
Zetmeel oplossing 5 mL 5 mL 5 mL 5 mL 5 mL
Water 2 mL 1 mL 1mL 1 mL
Zoutzuur 1 mL 1 mL
Natriumloog 1 mL 1 mL
Speeksel 1 mL 1 mL 1 mL 5 cm
  1. Voeg de speeksel na vijf minuten toe aan buisjes 2,4 en 6.
  2. Plaats alle reageerbuizen in het warmwaterbad voor circa 10 minuten tot ze een temperatuur van 37 graden Celsius hebben.
  3. Meet de zuurgraad van elk reageerbuisje met  het pH meetpapier
  4. Wacht vervolgens 10 minuten en druppel dan een aantal druppels joodoplossing in de buisjes 1 t/m 6.
  5. Verwerk de vastgelegde waarnemingen in een tabel
  Buis 1 Buis 2 Buis 3 Buis 4 Buis 5 Buis 6
pH 7 7 3 2 10 11
Zetmeel? ja nee ja ja nee nee

Met behulp van het pH papier hebben we kunnen meten welke zuurgraad de buizen hebben.

Met toevoeging van joodoplossing hebben we aangetoond welke buizen zetmeel bevatten.

Conclusie

Mijn onderzoeksvraag luidde: “Wat voor invloed heeft zuur op de werking van speeksel?”

Ik ben tot de conclusie gekomen dat  zuur een invloed op de werking van speeksel kan hebben omdat het van zuurgraad veranderd. Het wordt basisch of zuurder en dan kan speeksel niet meer hetzelfde doen als wanneer het een pH 7 heeft.

Discussie

Ik denk achteraf dat het proefje niet helemaal klopt omdat je het speeksel niet in alle buisjes doet. Dan zou mijn onderzoeksvraag moeten zijn “ In welke spijsverteringsorgaan wordt zetmeel afgebroken?” Want elke zuur of ander stof dat we in de buisjes hebben gedaan, staat voor een spijsverteringssap. En aan het eind zien we in welk buisje er nog zetmeel is en in welke buisje het zetmeel is afgebroken. Mijn onderzoeksvraag klopte volgens mij dus niet. Ik had het aan de docente moeten vragen! Het is niet erg dat het niet klopte want achteraf heb ik geleerd van mijn fouten en zal ik het de volgende keer anders doen.

Organisme mond slokdarm maag Lever alvleesklier darmen anus
mens ja Ja Ja Ja Ja Ja ja
kreeft ja nee ja nee nee ja ja
Kat ja ja ja ja ja ja ja
koe ja ja ja ja ja ja ja
Mossel ja nee Ja nee nee ja ja

Je hebt de tekeningen en de tabel ingevuld probeer nu hun voedingswijze te verklaren.

1). De mens eet vlees,groente.

want  Het spijsverteringsstelsel van de mens is geschikt om het te verteren. Het vlees moet dan natuurlijk wel gebakken zijn want de bacteriën dat rauw vlees bevat kan ons lichaam niet doden.

En het groente dat we eten moet dan ook goed gekauwd worden zodat de celmembraan van een plantcel stuk gaat.  De mens is een alleseter, omnivoor

2. Een kat eet Vlees

Want Het gebit van een kat kan geen plantencellen doorbreken omdat een kat alleen maar scherpe tanden heeft. Die zijn dan wel goed voor het scheuren van vlees. Een kat heeft ook een hele andere speeksel dan de mens, het is veel geconcentreerder.

3. Een kreeft eet alles wat hij te pakken kan krijgen

want  Met de scharnieren kan hij zijn prooi goed uitschakelen en vermalen.

4. Een koe eet Gras/groente

Want Koeien hebben plooikiezen, daarmee kan de koe gemakkelijk de celmembraan van een plantencel doorbreken om bij de bladgroenkorrels te komen. Een koe kan geen vlees consumeren omdat het vlees dan niet goed gekauwd word.

5. Een mossel eet Planktonnen

want  Deze zijn microscopisch klein, een mossel heeft geen gebit en planktonnen zijn makkelijker te verteren omdat ze klein zijn en makkelijk door de maagzuur gedood kunnen worden.

Verdiepingsvragen VWO

  1. 1.    Ga naar Bioplek en bekijk daar de plaatjes van het hart. Vul je tekening aan met de verschillende bloedvaten. Geef aan in je tekening: de aorta, de longslagader, de longslagader, de longader en de holle ader.
  1. 2.    Waardoor heeft vers hartweefsel een helder rode kleur?

Het hart krijgt gelijk zuurstofrijk bloed omdat een van de vertakkingen van de aorta gelijk naar het hartweefsel gaat. Zuurstofrijk bloed bevat veel hemoglobine omdat zuurstof zich aan hemoglobine bindt. Hemoglobine zorgt er onder andere ook voor dat het bloed een rode kleur heeft. Hoe meer helder en rood het hart, des te meer zuurstof het bloed bevat.

Opdrachtenblad 3HV. De spijsverteringsorganen.

Maag   

Spijsverteringssap, bestaat uit Maagzuur, bestaat uit zoutzuur, water, pepsinogeen en lipase.

Verteert de volgende voedingsstof Splitst eiwitten en emulgeert eiwitten.

2 veelvoorkomende ziekten Maagzuur en maagzweer

Symptomen Maagzuur: branderig gevoel bij de plexus of borstbeen. Maagzweer: hevige pijn door slijmvliesbeschadiging                                                                  

Wat kun je eraan doen? Maagzuur: Zuivel eten/drinken  en ranitidine.  Maagzweer: antibiotica of maagzuurremmer. Maagsap zo min mogelijk zuur maken.

 

Lever

Spijsverteringssap, bestaat uit Gal, bestaat uit galzouten, bilirubine en water

Verteert de volgende voedingsstof Vetten

2 veelvoorkomende ziekten Geelzucht en Leverfalen

Symptomen Geelzucht: Verkleuring van oogwit, slijmvliezen en huid.

Leverfalen: desoriëntatie,onduidelijk spreken, suf en moeheid

Wat kun je eraan doen? Geelzucht: afhankelijk van oorzaak, vegetarisch dieet met veel  melkeiwitten en suikerrijke vruchten    Leverfalen: Antibiotica, zoutarme voedsel, eiwitarm dieet

 

Alvleesklier

Spijsverteringssap, bestaat uit Alvleessap, bestaat uit enzymen

Verteert de volgende voedingsstof Eiwitten, koolhydraten en vetten

2 veelvoorkomende ziekten Diabetes type 2 en pancreatitis

Symptomen Diabetes type 2:vaak moe, veel dorst en slecht genezende wondjes

Pancreatitis: Misselijkheid, braken, hevige buikpijn.

Wat kun je eraan doen?  Diabetes type 2: Leefstijl veranderen, gezonder en minder vet eten. Pancreatitis: Ziekenhuisopname, antibiotica en pijnstillers

12 vingerige darm

Spijsverteringssap, alvleessap, bestaat uit enzymen, wordt door pancreas geproduceerd en gal, wordt door lever geproduceert.

Verteert de volgende voedingsstof eiwitten, koolhydraten, vetten en

 veelvoorkomende ziekten Opstipatie

Symptomen  Opstipatie: Harde ontlasting, weinig ontlasting (minder dan 3x per week)

Wat kun je eraan doen? Laxeermiddelen

 

Dunne darm

Spijsverteringssap, bestaat uit Darmsap, bestaat uit enzymen

Verteert de volgende voedingsstof Eiwitten, koolhydraten en zetmeel

2 veelvoorkomende ziekten Coeliakie en ziekte van Crohn

Symptomen Coeliakie: glutenintolerantie, diarree, verstopping  Ziekte v Crohn: Dunne ontlasting of diarree, evt. bloedverlies bij ontlasting

Wat kun je eraan doen? Coeliakie: Glutenvrij dieet, is een chronische ziekte

Ziekte v Crohn: medicijnen gericht op de remming van de ontsteking

 

Dikke darm

Spijsverteringssap, bestaat uit Darmflora, goede bacteriën

Verteert de volgende voedingsstof  Neemt voedingsstoffen op

2 veelvoorkomende ziekten Dikke darm poliepen en diarree

Symptomen Dikke darm poliepen: bloed bijontlasting buikpijn en onverklaarbaar gewichtsverlies. Diarree: vloeibare ontlasting, uitdroging,

Wat kun je eraan doen? Dikke darm poliepen: kunnen evt. operatief verwijderd worden.  Diarree: laxerende voedingsmiddelen vermijden, water drinken.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s